Communication Kernel · 19 categorieën

Nederlands Nederlands

Tik op een categorie om deze in of uit te klappen. De doeltaal staat steeds vet weergegeven.

ikik
jij / ujij / u
hijhij
zijzij
wijwij
jullie / u (mv.)jullie / u (mv.)
zij (mv.)zij (mv.)
iemandiemand
niemandniemand
iedereeniedereen
dit / dezedit / deze
dat / diedat / die
mijnmijn
jouw / uwjouw / uw
ik wil …ik wil …
ik zou graag …ik zou graag …
ik heb … nodigik heb … nodig
ik kan …ik kan …
ik kan niet …ik kan niet …
ik moet …ik moet …
ik ga …ik ga …
ik zoek …ik zoek …
ik vind … leukik vind … leuk
ik vind … niet leukik vind … niet leuk
ik weet hetik weet het
ik weet het nietik weet het niet
ik denk dat …ik denk dat …
misschienmisschien
zijnzijn
hebbenhebben
gaangaan
komenkomen
doen / makendoen / maken
gevengeven
nemennemen
zetten / leggenzetten / leggen
werkenwerken
wachtenwachten
zoekenzoeken
vindenvinden
zienzien
kijkenkijken
weten / kennenweten / kennen
begrijpenbegrijpen
sprekenspreken
vragenvragen
zeggenzeggen
helpenhelpen
kopenkopen
betalenbetalen
eteneten
drinkendrinken
openenopenen
sluitensluiten
bellenbellen
laten zienlaten zien
nunu
vandaagvandaag
morgenmorgen
gisterengisteren
later / strakslater / straks
binnenkortbinnenkort
vroegvroeg
laatlaat
altijdaltijd
vaakvaak
somssoms
nooitnooit
dagdag
weekweek
uuruur
minuutminuut
hierhier
daardaar
linkslinks
rechtsrechts
rechtdoorrechtdoor
binnenbinnen
buitenbuiten
bovenboven
onderonder
naastnaast
tussentussen
dichtbijdichtbij
verver
voorvoor
achterachter
naarnaar
van / uitvan / uit
wie?wie?
wat?wat?
waar?waar?
waarheen?waarheen?
waarvandaan?waarvandaan?
wanneer?wanneer?
waarom?waarom?
hoe?hoe?
hoeveel?hoeveel?
welke?welke?
jaja
neenee
enen
ofof
maarmaar
omdatomdat
dusdus
ookook
alleenalleen
hetzelfdehetzelfde
anders / verschillendanders / verschillend
goedgoed
slechtslecht
grootgroot
kleinklein
veelveel
weinigweinig
meermeer
minderminder
nieuwnieuw
oudoud
warm / heetwarm / heet
koudkoud
makkelijkmakkelijk
moeilijkmoeilijk
snelsnel
langzaamlangzaam
openopen
dicht / geslotendicht / gesloten
klaarklaar
kapotkapot
mogelijkmogelijk
veiligveilig
gevaarlijkgevaarlijk
volvol
leegleeg
hallo / hoihallo / hoi
goedemorgengoedemorgen
goedenavondgoedenavond
tot zienstot ziens
bedankt / dank ubedankt / dank u
alsjeblieft / alstublieftalsjeblieft / alstublieft
sorry / excusessorry / excuses
geen probleemgeen probleem
ik begrijp het nietik begrijp het niet
kunt u dat herhalen?kunt u dat herhalen?
langzamer, alstublieftlangzamer, alstublieft
laat het mij zienlaat het mij zien
help!help!
stop!stop!
pas op!pas op!
politiepolitie
dokterdokter
ziekenhuisziekenhuis
ik ben verdwaaldik ben verdwaald
bel 112bel 112
manman
vrouwvrouw
kindkind
persoonpersoon
vriendvriend
familiefamilie
huishuis
kamerkamer
deurdeur
raamraam
telefoontelefoon
geldgeld
sleutelsleutel
tastas
toilettoilet
waterwater
nulnul
éénéén
tweetwee
driedrie
viervier
vijfvijf
zeszes
zevenzeven
achtacht
negennegen
tientien
twintigtwintig
vijftigvijftig
honderdhonderd
duizendduizend
roodrood
blauwblauw
groengroen
geelgeel
zwartzwart
witwit
grijsgrijs
bruinbruin
oranjeoranje
paarspaars
eten / voedseleten / voedsel
drinken / drankdrinken / drank
broodbrood
vleesvlees
visvis
groentengroenten
fruitfruit
koffiekoffie
theethee
bierbier
menu / menukaartmenu / menukaart
rekeningrekening
vegetarischvegetarisch
allergieallergie
zonderzonder
lekkerlekker
pijnpijn
ziekziek
gewondgewond
medicijnmedicijn
apotheekapotheek
ambulanceambulance
hoofdhoofd
buik / maagbuik / maag
rugrug
bloedbloed
koortskoorts
ademenademen
noodgevalnoodgeval
zwangerzwanger
autoauto
busbus
treintrein
taxitaxi
luchthavenluchthaven
stationstation
kaartje / ticketkaartje / ticket
hotelhotel
adresadres
kaartkaart
vertrekvertrek
aankomstaankomst
perronperron
vertragingvertraging
reserveringreservering
werk / baanwerk / baan
bedrijfbedrijf
kantoorkantoor
collegacollega
manager / leidinggevendemanager / leidinggevende
vergaderingvergadering
e-maile-mail
computercomputer
probleemprobleem
oplossingoplossing
beginnenbeginnen
afronden / stoppenafronden / stoppen
beschikbaarbeschikbaar
bezig / drukbezig / druk
waar is …?waar is …?
hoeveel kost …?hoeveel kost …?
ik wil …ik wil …
ik heb … nodigik heb … nodig
kunt u …?kunt u …?
ik heb een probleem met …ik heb een probleem met …
heeft u …?heeft u …?
ik kom uit …ik kom uit …
persoonpersoon
intentieintentie
actieactie
object / dingobject / ding
plaatsplaats
tijdtijd
vraagwoordvraagwoord
ik wil waterik wil water
waar is het toilet?waar is het toilet?
ik heb hulp nodigik heb hulp nodig
ik begrijp het niet; langzamer, alstublieftik begrijp het niet; langzamer, alstublieft
één kaartje naar het station, alstublieftéén kaartje naar het station, alstublieft
dit is kapotdit is kapot
ik heb een dokter nodigik heb een dokter nodig
kan ik met kaart betalen?kan ik met kaart betalen?
spreek langzaamspreek langzaam
schrijf het opschrijf het op
wijs het aanwijs het aan
hoe spreek je dit uit?hoe spreek je dit uit?
ik kan het lezenik kan het lezen
ik kan dit schrift niet lezenik kan dit schrift niet lezen